Tentoonstelling "Oud Europa"

De kleine tentoonstelling "Oud-Europa" biedt u een overzicht van de verzamelgeschiedenis van de collectie oud-Europa. Deze ‘vergeten’ museumcollectie bestaat uit archeologische objecten die uit heel Europa afkomstig zijn, en stammen uit de prehistorie, Romeinse tijd en middeleeuwen. U ziet zwaarden uit Denemarken, zeldzame Scytische sieraden, Duitse grafvondsten uit de Merovingische tijd, vuistbijlen en bijzondere vondsten uit Hongarije.

U vindt Oud-Europa in de tentoonstellingsruimte naast de vaste tentoonstelling Archeologie van Nederland, op de tweede verdieping van het museum.
Een vergeten collectie

Tussen 1824 en 1970 verzamelde het Rijksmuseum van Oudheden meer dan 8500 objecten uit verschillende Europese landen, van Engeland tot Polen en van Rusland tot Denemarken. De verzameling speelde gedurende anderhalve eeuw een belangrijke rol in het museum, maar raakte daarna in de vergetelheid.

Nieuw licht op oude schatten:
De tentoonstelling haalt de opvallendste objecten uit de collectie oud-Europa voor een poosje uit het depot. Ze komen onder meer uit Franse grotten, Merovingische grafvelden in Duitsland en Zwitserse ‘meeroever-nederzettingen’. Centraal staat de ontwikkeling van de collectie en de veranderende motieven om die bijeen te brengen in de loop van meer dan honderdvijftig jaar.

Voor vaderland en vergelijking:
In veel landen speelden musea in de negentiende eeuw een belangrijke rol in het groeiende nationale bewustzijn. Dat was de reden dat destijds het Rijksmuseum van Oudheden een collectie oud-Europa bijeen wilde brengen: een mooie nationale collectie verstevigde de positie van het jonge Koninkrijk der Nederlanden. Tegelijkertijd was het handig voor musea om originele objecten of kopieën van objecten te verzamelen voor vergelijkingsdoeleinden.

Een wetenschappelijk perspectief:
Met de komst van conservator en directeur Jan Hendrik Holwerda in het begin van de twintigste eeuw werden de verzamelmotieven wetenschappelijker. Hij bracht gericht stukken bijeen om de Nederlandse archeologie van een Europese context te voorzien. Holwerda richtte ook een permanente tentoonstelling Oud-Europa in. Er kwam een studiezaal bij en er verscheen ook een gids. De vele objecten kregen aanvankelijk een belangrijke plaats in het museum, maar toch verdwenen ze in 1956 definitief naar de depots om plaats te maken voor andere tentoonstellingen.