Voor de badende Callisto liet Rembrandt zijn geliefde, Hendrickje Stoffels model staan, die net als Callisto werd verstoten

17 juni 2019

Rembrandt woonde de eerste 25 jaar van zijn leven in Leiden. Onno Blom werkt aan een biografie van die jaren en bericht daarover een jaar lang wekelijks in de Volkskrant.

Misschien wel het opwindendste schilderij dat Rembrandt ooit heeft gemaakt, zette hij in de zomer van 1654 op een paneeltje van 60 bij 50 centimeter.

Voorzichtig, voetje voor voetje, stapt een jonge vrouw vanuit een onbestemde wildernis in zwart, glad water. Haar brokaten mantel heeft zij uitgetrokken en op de kant laten liggen. Ze draagt alleen nog haar maagdelijke witte onderhemd – de plooien zijn heerlijk los en pasteus door Rembrandt geschilderd.

Zij is niet naakt. Het is veel suggestiever. Met de wijsvingers van haar beide handen houdt ze de onderkant van haar hemd omhoog, zodat het niet nat wordt. Net hoog genoeg om je geen blik te gunnen. Maar via de spiegeling van het water kan zij wél naar zichzelf kijken, naar wat zich onder haar onderkleed bevindt: de oorsprong van de wereld.

Wie was deze baadster? In de geschiedenis is zij voor verschillende bijbelse en mythische figuren aangezien, maar de aantrekkelijkste optie vind ik: Callisto. Zij was de mooiste van de krijgshaftige nimfen van Diana, de godin van de jacht, die hun maagdelijkheid streng bewaakte. Maar oppergod Jupiter had Callisto in vermomming verrast en verkracht. ‘Natuurlijk, zij verzet zich, voor zover een vrouw dat kan’, staat er in Ovidius’ Metamorfosen, ‘maar welk meisje kan een man, wie kan de grote Jupiter verslaan?’

Toen de nimfen na de jacht naakt gingen baden, ontdekten de anderen dat Callisto zwanger was – en werd zij door Diana verstoten. In de versie van de antieke mythe die Karel van Mander in zijn Schilder-Boeck vertelt, vlucht Callisto na de ontdekking en verschuilt zich in de wildernis. Die situatie zou Rembrandt hier wel eens kunnen hebben geschilderd: de nimf waant zich onbespied bij het baden, heeft de dromerige blik en gelukzalige glimlach van een zwangere.

Wat zo mooi is aan deze interpretatie van dit schilderij is dat die een brandende kwestie uit Rembrandts eigen leven weerspiegelde. Voor Callisto liet hij zijn geliefde, Hendrickje Stoffels, model staan. Toen Hendrickje in 1649 bij hem kwam werken als huishoudster, werd de schilder op slag verliefd op haar. Zij was 23, hij 43.

Rembrandt had op dat moment nog een verhouding met Geertje Dircx, die hij had aangenomen als droge min (kindermeisje) voor Titus, zijn zoon uit zijn eerste huwelijk met Saskia van Uylenburgh die in 1642 was gestorven. Rembrandt zou Geertje een trouwbelofte hebben gedaan. Na een heftig conflict, waarbij Hendrickje getuigde ten gunste van Rembrandt, liet hij Geertje in het spinhuis opsluiten. Daarna leefde hij verder met Hendrickje. Ongehuwd, maar als man en vrouw.

In de zomer van 1654 werd Hendrickje door de kerkenraad gekapitteld omdat zij zich ‘in Hoererij had verloopen met Rembrant de schilder’. Zij bekende haar zonde en werd ‘ernstelijck bestraft, tot boetvaerdicheijt vermaent en van den tafel des Heeren afgehouden’.

Rembrandt kon niet met haar trouwen omdat hij dan de erfenis van zijn overleden eerste vrouw Saskia zou kunnen verspelen. Het leek Hendrickje niet te deren. Ze bleef Rembrandt trouw tot aan haar dood.

Drie maanden nadat zij uit de kerk was verstoten, beviel Hendrickje van een meisje. Ze heette niet Callisto maar Cornelia, naar Rembrandts moeder.

Bron: Onno Blom voor de Volkskrant

Deel dit nieuwsbericht